Joseph « YT » Boulier, Jazzaroundmag.com (20/03/2018)
"Le concept Mephiti s'articule autour du saxophoniste gantois Erik Bogaerts, par ailleurs leader au sein de la formation de jazz ambient Llop. La musique de ce sextet atypique (outre le saxophone et la section rythmique, on note la présence de deux guitaristes et d'une harpiste) se meut doucement, par petits pas et par petites touches, dans un climat quasiment dub, chuchotant l'éloge de la lenteur. On imagine facilement chaque musicien, recroquevillé et concentré sur son instrument, dont il tire des sons personnels qui construiront patiemment l'édifice. Ici, il n'y aura aucune envolée. La section rythmique est volontairement discrète, les soli d'Erik Bogaerts sont soufflés tout en retenue. La musique de Mephiti, aussi belle soit-elle, ne se vit pas : elle se subit, en ce sens qu'elle exige de l'auditeur un lâcher-prise profond."

Guy Peters, Enola (15/03/2018)
"Erik Bogaerts' bezoek aan het Zweedse Harlösa bracht een en ander teweeg. Zo nam Llop er zijn tweede album op en deed ook de naam Mephiti al snel de ronde. Het was even wachten tot de plaat er was, maar het geduld wordt beloond met een luisterervaring die zelfs na een stevig aantal draaibeurten nog altijd een eenvoudig label ontwijkt.

Samen met gitaristen Bert Cools en Ruben Machtelinckx, bassist Brice Soniano, drummer Stijn Cools en Indrė Jurgelevičiūtė op kanklės (een verwant van de citer uit Litouwen) speelt Bogaerts nummers die helemaal passen in een golf van eigenzinnige stille muziek die zich de voorbije jaren een weg gebaand heeft naar het Belgische muzieklandschap. Zijn eigen Llop maakt daar deel van uit, net als heel wat projecten uit de granvat-koker, de muzikanten die zich verenigd hebben onder de vleugels van Aspen Edities (Machtelinckx, Niels Van Heertum …) en een figuur als Joachim Badenhorst.

Het zijn stuk voor stuk muzikanten die een opleiding genoten hebben en goed vertrouwd zijn met vele vormen van de jazz, maar die vooral de Europese variant uit het Noorden aan de borst drukken. De blues wordt terzijde geschoven en in plaats daarvan krijg je een minder aardse sensibiliteit waar voortdurend een etherische wind doorheen waait, zonder daarom te vervallen in wollig sentiment. Misschien is dat wel een van de mooiste verdiensten van deze muzikanten: met aandacht voor secuur spel, onconventioneel experiment en evenwicht hebben ze delicate, introverte muziek in ere hersteld.

Het mooie is dat het ook steeds gepaard gaat met totaalconcepten. Albums worden steevast verpakt in opvallend artwork -- vaak van verwante, jonge artiesten -- en dat is ook nu het geval. Het artwork van Mephiti komt van "Ground", een audiovisuele performance van Jeroen Uyttendaele en Dewi De Vree waarbij grafiet wordt gemanipuleerd met elektronische pulsen, die op hun beurt voor geluid zorgen. Met die grillige, rudimentaire vormen, even eenvoudig als onvoorspelbaar, is het helemaal op maat van de acht stukken op de plaat, die nooit helemaal welomlijnde verwachtingen inlossen. Ze lossen plots op, introduceren onverwachte elementen, bouwen gestaag schuifelend aan frêle constructies, blijven afgeronde eindes voor zich uit duwen. Het is zoeken, spoor zoeken in real time, afgewisseld met composities die steeds in het proces van vervelling lijken te hangen.

Helemaal vooraan zorgt "Shilly" misschien nog voor een meest conventionele stuk: een wondermooi ding dat in een wereld zonder zwaartekracht lijkt rond te wentelen. Twee gitaren die zachtaardig tokkelen, eerst gezelschap krijgen van een subtiel meekleurende kanklės en vervolgens van bas en altsax. Even herinnert het -- maar dan wel elke keer opnieuw -- ook aan het gevoel dat je overviel toen je voor het eerst Faerge hoorde (het album dat Machtelinckx maakte met Badenhorst, Hilmar Jensson en Nathan Wouters). Het heeft die voorzichtige lyriek, die breekbaarheid, die op een of andere manier wel samengaat met een indruk van weidsheid.

Een groter contrast met het Afrikaans getinte "Hymne I" is moeilijker denkbaar. Met die beweeglijke bas, de kronkelende gitaarlijnen, het cimbalengeruis en iets dat klinkt als spacey synth-effecten, lijkt het uit een compleet andere wereld te komen, met Bogaerts' lange saxlijnen als verbindende factor. Intussen is duidelijk dat Mephiti geen optelsom wordt van acht keer "Shilly". "Hanneke" en "Krevelstraat" zijn groepsstukken die vervolgens meer vrij en open aanvoelen. Anders qua temperament, maar ook met verwantschappen. Is het eerste opgebouwd rond een herhaald motief van vier noten dat uitgroeit tot een speels-mysterieuze wentelbeweging waarop Bogaerts korte aanzetten plaatst, dan wordt het tweede aanvankelijk gedomineerd door een stompende puls van bas en drums, maar komt een motiefje van vier noten terug bij Soniano, die lijkt te verwijzen naar Jimmy Garrisons legendarische figuur in A Love Supreme. Het is hier echter een andere soort statigheid: iel, met metalige percussie als een miniatuurversie van klokkende koebellen.

Met "Hymne II", dat op gang gebracht wordt door Jurgelevičiūtė, wordt in een al dan niet bestaande folktraditie gedoken, haar getokkel een combinatie van een slaaplied, een twinkelend muziekdoosje en de universiteitsbeiaard van Leuven. Wanneer gitaar en bas erbij komen, dan gebeurt dat zonder poeha, geduldig. Deze mensen nemen hun tijd, gunnen de resonanties ook wat, en dat leidt hier tot het langste stuk van de plaat. Vanaf dan worden de stokjes ook duidelijk doorgegeven. Het korte "Lenaé" is de band in bijna-popmodus, met een gracieuze dans die in ontmantelde versie zo had gepast op het eerste Linus-album. Kleine details creëren een wereld van verschil. "Oude Steenweg" komt dan als een verrassing: diepe resonanties (van bas en drums?) met een kale, minimalistische flair. Totdat naar het einde toe minzaam getokkel opduikt dat voorbereidt op slotstuk "Kat Kreupel" en dan opnieuw wordt opengetrokken zodra Bogaerts het riet tussen de lippen neemt en Stijn Cools het geruis laat aanzwellen.

Een hele hoop beschrijvingen, maar Mephiti is misschien vooral een album dat duidelijk maakt dat die pogingen om het te vatten in woorden bij voorbaat gedoemd zijn om te mislukken. Dit is muziek die met kleine hints en texturen misschien wel bepaalde parameters oproept, maar er vervolgens in slaagt om ze slinks, met een goedhartige koppigheid te omzeilen. Dat duidt, in al z'n bescheidenheid, op de intentie om een persoonlijke invulling te creëren. Een uitdaging op fluisterniveau is nog altijd een uitdaging. En in dit geval ook heel erg mooi."

Dave Sumner, The Best Jazz on Bandcamp: February 2018 (07/03/2018)
"If there's a takeaway to this enchanting album from Mephiti, it's that there are countless ways to expressing a state of serenity. There's the melodic sigh of "Shilly," the raindrop pulse of "Hymne I," the emerging sunrise of "Hanneke," and the descent into night of "Krevelstraat." Mephiti swings between tranquility and liveliness; occasionally, it feels like a reinterpretation of Bill Frisell's dreamier solo projects. The quintet is rounded out by alto saxophonist Erik Bogaerts, guitarist Ruben Machtelinckx, guitarist Bert Cools, double bassist Brice Soniano, and Indrė Jurgelevičiūtė on kantele (a five-stringed instrument that possesses the grace of a harp and the punch of a kora)."

Opduvel.com (05/03/2018)
In België bestaat een bloeiende jazzscene, bestaande uit pure muzikanten die met succes verschillende aspecten van het muzikale spectrum verkennen. Een voorbeeld van de meer uitbundige kant van de jazz is Stuff., dat met zijn elektrische en ritmisch complexe muziek hoge ogen gooit. De Beren Gieren stoeit ook met elektronica, al blijft dat in de eerste plaats een pianotrio. Daarnaast is een aantal muzikanten in de weer met meer bedachtzame en ingetogen muziek, zoals euphoniumspeler Niels van Heertum (Veder) en gitarist Ruben Machtelinckx.

Machtelinckx vinden we terug in Mephiti, dat onder leiding staat van altsaxofonist Erik Bogaerts. Hij maakt(e) deel uit van Banjax, Kvartett, Llop, Les Chroniques De L'Inutile en Book of Air: vvolk en daarnaast is hij solo actief. De saxofonist is niet alleen in zijn thuisland actief; hij was ooit artist in residence in het Zweedse dorpje Harlösa in 2014 en met Llop nam hij in Zweden een album op, in een kerk uit het jaar 1100. Een Scandinavische connectie is ook terug te horen in de muziek van Mephiti.

De bezetting van het sextet is een aparte. De drums worden bespeeld door Stijn Cools en de contrabas door Brice Soniano. Naast Machtelinckx is in de persoon van Bert Cools nog een tweede gitarist van de partij. Het sextet wordt gecompleteerd door Indrė Jurgelevičiūtė, een muzikante die de kanklès bespeelt, een Litouwse harp die te vergelijken is met een citer. Vooral de muzikanten op de snaarinstrumenten, die ieder een eigen klankkleur hebben, geven Mephiti een eigen geluid mee.

De muziek van het zestal klinkt zorgvuldig, goed doordacht en fijnbesnaard. Het is geen muziek die zich opdringt door noisy uitspattingen, gloedvolle solo's of zich alsmaar herhalende motieven. De composities van de hand van Bogaerts (vijf) en het sextet (drie) bieden de muzikanten ruimte om hun klanken op elkaar te laten inwerken, als op natuurlijke wijze. Er zijn momenten waarop een van de instrumentalisten het voortouw neemt, niet met als doel nadrukkelijk op de voorgrond te treden, maar om de compositie recht te doen.

Die composities zijn, hoewel toegankelijk, geen heel eenvoudig te consumeren stukken muziek. Daarvoor zitten de acht stukken op het album iets te complex in elkaar. Er wordt van de luisteraar wel enig concentratievermogen verlangd. Wie de rust heeft en de tijd neemt om de muziek op zich in te laten werken, wacht echter een kleine drie kwartier met bedwelmend mooie muziek.

Opener 'Shilly' toont direct de pure muzikale pracht van Mephiti, startend met het akoestische samenspel van gitaar en kanklès. Bogaerts toon op altsax is warm, mede door het gebruik van veel valse lucht, waardoor ruis een belangrijk onderdeel vormt van het gevoelvolle spel. Mooi is ook de unisono gespeelde melodie door gitaar en sax op het eind. Iets vlotter gaat het eraan toe in 'Hymne I', dat met zijn aanstekelijke ritmiek het meest in het oog springende stuk op de plaat is. Opvallend is het spel op de cimbalen van Cools en het doorlopend patroon van Soniano op de contrabas. De gitaren en kanklès vullen elkaar perfect aan, terwijl ieder zijn individuele stem behoudt.

In 'Hanneke' wordt een motief gespeeld door een van de gitaristen, terwijl de drums druk in de weer zijn, later samengaand met de basic noten van de contrabas, waar Bogaerts vervolgens zijn simpele maar doeltreffende melodieuze spel overheen legt. De saxofonist/componist hoeft niet elk gaatje te vullen en geeft veel ruimte aan zijn ritmisch in de weer zijnde medemuzikanten. 'Krevelstraat' opent met een paar stevige drumslagen, voordat het stuk in rustig vaarwater terecht komt. Het stuk is een fraai staaltje instant composing waarin subtiele experimenten zitten verwerkt.

Jurgelevičiūtė verzorgt de melodische opening van 'Hymne II', gevoelvol begeleid door Machtelinckx en Cools op gitaar en later ook door de gestreken klanken van Soniano. De melodie van de altsax is langzaam, bestaande uit alleen de noodzakelijke noten. Halverwege krijgt het stuk meer beweging, door de ruisende bekkens en met brushes bespeelde snare van Cools, later overgaand op tikken met de tromstok op de rand, en de baslijnen van Soniano. 'Lenaé' is vervolgens pure melodische pracht. Opduvel zou zweren delen van de melodie al eens te hebben gehoord, zo herkenbaar, zo vertrouwd klinkt het stuk. En zo mooi.

'Lenaé' eindigt met slechts slagwerk en percussie, waarna 'Oude Steenweg' ook lange tijd een solo voor het slagwerk is, de titel van het stuk ten gehore brengend. Pas in de laatste minuut voegt een gitaar zich bij de drums. Die gitaar opent vervolgens het slotstuk 'Kat Kreupel', de afsluiter die op bedaarde wijze naar het einde toewerkt. Cools' werk op de cimbalen voorziet het stuk van spanning, terwijl de gitaren, kanklès en sax voor de muzikale schoonheid zorgen. Een passend einde van een wondermooi album."

Rigobert, BA 97 rbd (03/03/2018)
"Der Altosaxophonist Erik Bogaerts, bei Book Of Airs "vvolk" noch Sidekick, hat mit Llop für mich Magritte und Delvaux anklingen lassen. Bei Mephiti hat er mit dem Drummer Stijn Cools, Bert Cools an Guitarre & Synthie, Ruben Machtelinckx an Gitarren und Indre Jurgelevičiūtė an Kankles lauter Vvolks-Genossen um sich, dazu spielt Brice Soniano (vom Carate Urio Orchestra) Bass. Wie da die Gitarren und die litauische Zither plinken und das Alto an Zartbitterschockolade leckt, kann einem das gern ein "Oh!" entlocken. 'Hymne I' scheucht mit erhöhtem Tempo und leicht klackendem Latin-Touch allzu kuschelkitschige Anwandlungen aus dem Sinn, trotz des Altos als Zu­ckerrohr mit einem Geschmack für coole Raffinessen. Die vielen Feinheiten und der nach­denkliche Anflug lassen Werbespotscouts abwinken, man darf die Leute nicht so schwie­melig beschallen, wenn man sie animieren oder gar enthusiasmieren will. Mephiti chan­giert zwischen Eleganz und Melancholie, mit wehmütigem Bassstrich und Altohauch, eine Gitarre spinnt Silberfäden, Cools dongt die Becken, alles Krasse und Vulgäre, das die flämische Mentalität gern noch übertreibt, ist hier ganz ins Feine zerfunkelt. Keine Spur von "Code 37"-Abgründen in der 'Krevelstraat'. Allerfeinst harfen und plinken Kanklés und Gitarre zur samtigen 'Hymne II', Bogaerts verfeinert sich fast zum Sopran. 'Linaé' ver­schiebt den Akzent von folky auf groovy, mit Rassel und Woodblock viel zu sublim für Schweiß. Schon, dass man auf dem 'Oude steenweg' einer verkrüppelten Katze begegnet, verwundert, aber auch das beckenüberrauchte Pochen, das diese Gruppenkomposition zu meinem Liebling macht. Zarteste Gitarrenfinger mit einem Herz für ein blindes Auge, ein fehlendes Katzenbein, gießen zuletzt, zusammen mit dem nochmal bittersüßen Altoton, Balsam auf Wunden, die die verkehrte Welt schlägt."